naar inhoud

Diamantstad

Slijperij De Hantsetters in 1950
Door Robert Travers, uit: "80 jaar diamantgeschiedenis, Diksmuide Diamantstad", Diksmuide, 2007. Publicatie nog steeds te verkrijgen bij het stadsarchief voor de voordelige prijs van 20 euro.


'De betekenis die de diamantnijverheid voor Diksmuide heeft gehad, kan niet precies worden omschreven. Zeker is dat deze industrie het niet moeilijk gehad heeft om zich in de Stad Diksmuide te vestigen. De verklaring hiervoor is vrij eenvoudig. Betreffende infrastructuur waren de vereisten beperkt. Aanvankelijke was de diamantindustrie hier niet meer dan een uit de kluiten gewassen huisnijverheid. Ergens een bijgebouwtje in de tuin of aan de woning van de diamantair was voldoende. Tijdens het interbellum en zeker na de Tweede Wereldoorlog was er sprake van grotere gestructureerde ateliers. Ook de aanbreng, de bewerking en de aflevering van de diamanten stelde geen problemen. Onopvallende reisde de Diksmuidse diamantair éénmaal per week naar Antwerpen om er ruwe stenen op te halen en er de afgewerkte diamanten terug af te leveren. Ook de bewerking als zodanig was niet storend. Zonder enig gevaar op tegenspraak mag worden gezegd dat Diksmuide zich geen milieuvriendelijker nijverheid kon dromen.

Ook sociaal-economisch heeft de diamantnijverheid voor Diksmuide een niet direct te becijferen betekenis gehad. De diamantindustrie stond er als sociaal vooruitstrevend aangeschreven. Als eerste nijverheidssector kende men er de 40-urenweek gespreid over 5 werkdagen. Gekend was –wat zich laat bevestigen bij de sociologische analyse van de Diksmuidse woonwijken – dat bij de bouwmaatschappijen en bij instellingen als het Woningfonds der Grote Gezinnen procentueel het hoogste aantal kandidaat kopers en huurders voor een sociale woning te vinden was onder de diamantbewerkers. Wetend dat de diamantbewerker werd betaald op basis van het aantal door hem afgewerkte aantal steentjes, is volgde anekdote veelzeggend. Bij het schrijven in 1955 van mijn eindwerk aan de sociale school stuurde ik alle West-Vlaamse diamantarbeiders een vragenlijst. Niettegenstaande de bijgevoegde gefrankeerde omslag reageerde hier niemand op. Latere huisbezoeken brachten hiervoor de verklaring. Geen enkele diamantbewerker was bereid zijn reëel loon zomaar op een vragenlijst in te vullen. Begrijpelijk, als men weet dat het wettelijk ingeschreven loon slechts 2/3 tot de helft bedroeg van wat zij wekelijks naar huis meebrachten. Gezegd moet worden dat ondertussen en zeker tijdens de twee voorbije decennia de diamantnijverheid haar economische en sociale status ook heeft zien verloren gaan.

Dat de vraag als eens wordt gesteld of Diksmuide haar diamantnijverheid voldoende heeft gekoesterd, is dan ook vrij logisch. Het antwoord hierop lijkt niet zo eenvoudig. Tussen beide Wereldoorlogen in was het niet zo gebruikelijk dat overheidsinstanties ondersteuning gaven aan particuliere nijverheidsinitiatieven. Hun rol beperkte zich tot het verlenen van de vereiste bouw- en uitbatingsvergunningen. Tegenover de plaatselijke diamantnijverheid heeft het Diksmuidse stadsbestuur destijds hetzelfde gedaan. Na de Tweede Wereldoorlog en in de periode van de economische reconversie werd in Diksmuide de diamantnijverheid behandeld als een andere lokale nijverheid. Om grotere of meerdere ondersteuningsmaatregelen werd door de diamantnijverheid ook niet gevraagd.

Anders moet geoordeeld worden over de houding door de toenmalige Diksmuidse politici ten opzichte van de komst van een plaatselijke diamantschool. Voor de vertraagde start en uiteindelijk ook voor de definitieve mislukking er van dragen onbetwistbaar de toenmalige Diksmuide liberalen een grote verantwoordelijkheid. Hoe de diamantnijverheid zich hier ter plekke ontwikkeld zou hebben met de komst van deze diamantschool en zonder het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, valt echter ook niet te zeggen. Volledigheidhalve moet hieraan nog worden toegevoegd dat na de Tweede Wereldoorlog Marcel De Hantsetters zich ook niet steeds voldoende door de officiële instanties gesteund voelde in zijn pogingen voor de West-Vlaamse diamantnijverheid een opleidingsvorm te krijgen vergelijkbaar met deze voor de middenstandsberoepen, erkend door het Ministerie van Economische Zaken en niet langer meer door het Paritair Comité voor de Diamant.

Dat Diksmuide ooit diamantgeschiedenis zou schrijven en toonaangevend zou worden binnen de West-Vlaamse diamantnijverheid, had wellicht nooit iemand te durven voorspellen toen in 1924 Willem Bonte hier startte met zijn eerste diamantslijperij. Hopelijk is het niet totaal utopisch ervan te dromen dat deze 80-jarige geschiedenis nog een vervolg krijgt dank zij een nieuwe lokale creativiteit nu echter toegespitst op de aanwending van industriediamant. Deze studie is een bescheiden poging om Diksmuide als diamantstad blijvend in het geheugen te behouden. De publicatie door de Stad Diksmuide drukt daarenboven ook haar waardering uit voor allen die zich in het Diksmuidse voor de ontwikkeling van deze nijverheid verdienstelijk hebben gemaakt.'